Willem Alexander (‘Willem’) Knip

Amsterdam 1883 – 1967 Blaricum

Vanaf 1921 maakt Willem Knip een groot aantal studiereizen naar Noord-Frankrijk en het Middellandse Zeegebied, waar hij onder meer Pont-Aven, Concarneau, St.-Tropez en Coullioure aandoet. Daar wordt hij geïnspireerd door de idyllische vissersplaatsjes, het drukke bootverkeer en het schitterende zonlicht. Zijn reizen zijn van zowel korte als lang duur, waarbij hij soms zelfs ettelijke maanden wegblijft. Aanvankelijk besluit Knip om tenminste elk jaar naar Frankrijk te gaan. Later zoekt hij zijn bestemmingen nog zuidelijker, in Spanje en Italië. Terug in Nederland blijft Knip hieraan vasthouden en zijn kleurige impressionistische werken brengen hem in de jaren dertig veel succes. Door tijdgenoot Henri van Calker wordt hij ‘een picturale verteller’ genoemd, ‘een realist, waarbij hij zoekt naar de zuivere kleur en den juisten toon.’Als Knip tussen het reizen door weer in Nederland werkt, schildert hij net zulke zonovergoten dorpen als in Frankrijk en Italië.

Het is niet onwaarschijnlijk dat het werk van zijn landgenoten hem heeft aangemoedigd om dit kleurige palet ook in Nederland toe te passen. Als Knip begin jaren dertig terugkeert in zijn woonplaats Laren, dat vanaf de eeuwwisseling een bolwerk was van verschillende kunstenaarsgroeperingen, raakt hij bevangen door het luminisme, zij het betrekkelijk laat. De baanbrekende vertegenwoordigers van deze stroming, Jan Sluijters, Jan Toorop en Leo Gestel, waren immers al ten tijde van de Eerste Wereldoorlog in Laren neergestreken. Zij schilderen impressionistische landschappen en Hollandse boerderijen in levendige, frisse kleuren, naar voorbeeld van de Franse pointillisten en fauvisten. Ook wonen er in Laren reeds veel schilders, die een moderne schildertrant in ‘Franse Stijl’ ambiëren, zoals Co Breman en Ferdinand Hart Nibbrig. Daarnaast is het mogelijk dat het werk van zijn vriend en reisgenoot Hendrik Jan Wolter van invloed is geweest; met name in het gebruik van de kleur blauw, die in een aantal van hun beider werken zeer prominent aanwezig is.

Voordat Knip tot deze ontwikkeling komt, moet hij echter wel een omweg nemen. Als zesde generatie van de beroemde Knipdynastie, wordt hij eerst opgeleid tot decoratieschilder. Hiervoor studeert hij aan de Quellinusschool te Amsterdam, en aansluitend aan de School voor Kunstnijverheid in Haarlem. Een opmerkelijke keuze wellicht, maar binnen de familie werden vrijwel alle kinderen met creatieve ambities naar de kunstnijverheidsschool gestuurd; een opleiding waarmee ze later in ieder geval de kost zouden kunnen verdienen. Een andere belangrijke reden om te kiezen voor de kunstnijverheidsschool was wellicht het feit Willems vader zelf nooit het beroep van kunstschilder heeft uitgeoefend en zijn zoon het vak dus niet kon leren. Van de directe aanverwanten was Willems grootvader Augustus Knip reeds in 1859 overleden en zijn oudtante Henriëtte Ronner-Knip, die beroemd werd met haar kattenschilderijen, was in Brussel woonachtig. Bovendien waren zij van een oudere generatie en werd hiermee de traditie doorbroken. De lessen aan de kunstnijverheidsschool waren overigens ook veel goedkoper dan die aan de academie voor beeldende kunsten: ter vergelijking moest aan het einde van de negentiende eeuw op de Quellinusschool vijftien gulden per jaar betaald worden, terwijl het lesgeld voor de academie maar liefst 100 gulden per jaar bedroeg.

Ook zijn reislust heeft Willem Knip niet van een vreemde: zijn grootvader August heeft evenals diens eigen vader vooral een reizend kunstenaarsbestaan geleid, zo blijkt uit het enorme aantal woonplaatsen in de stadsarchieven. Al vroeg reist ook Knip het hele land door op zoek naar onderwerpen. Aanvankelijk tekent en schildert hij vooral Hollandse landschappen, haven- en stadsgezichten, in de landelijke omgeving van Noorden en aan de kades van Amsterdam. Zijn kleurgebruik is echter nog vrij donker en ‘melancholisch’. Het kenmerkt de periode waarin hij zich probeert te ontworstelen aan zijn opleiding als decoratieschilder. In 1900 worden hij echter aangetrokken door het levendige schildersdorp Laren, waar hij al met al bijna dertig jaar blijft wonen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog moet hij in krijgsdienst waarbij hij in Naarden wordt gestationeerd, maar ook nog wat weet te schilderen. In 1934 verhuist hij naar Blaricum en is wordt zeer actief: eerst als lid en later als bestuurslid van de Gooische schilders-vereeniging. Door sommigen wordt Knip weliswaar niet geen echte Gooise schilder aangeduid, omdat hij een betrekkelijk lange tijd elders heeft gewerkt.

Verder is Knip bestuurslid bij Arti et Amicitae, en doet hij mee aan  buitenlandse tentoonstellingen in Oslo, Liverpool, Pretoria, Buenos Aires en Toronto. Hij heeft les gegeven aan Jacob Richard Theodoor Philippi, Adri Pieck en Gretha Pieck. In 1942 ontvangt voor zijn werk de Lucasprijs en in 1953 de Arti Medaille. In datzelfde jaar wordt ook in Kunstzaal Hamdorff (Laren) een ere-tentoonstelling gehouden voor hem gehouden.

 

Schilderijen van Willem Knip in de collectie van Kunsthandel Bies:

Gezicht op Oudenaarde met de Sint-Walburgakerk in de verte

Wij maken op deze website gebruik van functionele cookies en cookies voor anonieme gebruikersstatistieken. Wij gebruiken geen cookies voor marketingdoeleinden. Meer informatie

Deze website gebruikt alleen functionele cookies en cookies om anonieme gebruikersstatistieken te kunnen inzien. Voor de gebruikersstatistieken gebruiken wij Google Analytics, privacyvriendelijk ingesteld volgens de richtlijnen van de Autoriteit Persoonsgegevens.

Sluiten