Médard Verburgh

Roeselare (België) 1886 – 1957 Ukkel (België)

Médard Verburgh werd in 1886 geboren te West-Vlaanderen, in het industriestadje Roeselare. Het was op slechts 13-jarige leeftijd dat Verburgh interesse toonde in kunstnijverheid. Hoewel zijn vader hier aanvankelijk weinig voor voelde, mocht hij eindelijk toch in de leer bij de bekende binnenhuisdecorateur Emiel Duyvewaardt. Na enkele jaren werkervaring opgedaan te hebben en met een tekendiploma van de Academie van Roeselare op zak, besloot Verburgh in 1907 zijn geluk in de grote stad Brussel te beproeven. Hij trok in bij zijn zus en schreef zich tevens in op de Academie voor Schone Kunsten, waar hij tot 1911 zou blijven studeren. Tegelijkertijd werkte hij als decorateur bij de firma Chambon.

Verburgh kon op de Academie kiezen uit twee hoofdrichtingen: enerzijds was er het symbolisme en anderzijds ‘de nieuwe realistische stroming’ van Le Sillon en Les XX, waar sommige leraren zoals Paul Mathieu, Isidore Verheyen en Guillaume Van Strydonck lid van waren. Het was echter de laatstgenoemde impressionistische richting waarvoor Verburgh de meeste belangstelling had en waarin bovendien de meest revolutionaire ontwikkelingen gaande waren.  Verburgh bezocht met grote interesse de tentoonstellingen van Vie et Lumiére en La Libre Esthétique, waar hij behalve werk van de opkomende Belgische luministen als Emile Claus, neo-impressionsten als Theo van Rysselberghe ook werk van de grote Franse impressionisten zag, alsmede van de schilders van Nabi. Vooral de Salon van 1910 die gewijd was aan het landschap en waarop werken van Pissarro, Sisley, Seurat, Van Gogh, Gauguin, Matisse en Marquet te zien waren, vond Verburgh zo inspirerend dat hij nog datzelfde jaar besloot om met zijn broer een korte trip naar Parijs te maken.

Om zijn horizon te verbreden sloot Verburgh zich in 1910 aan bij het Brusselse kunstenaarscollectief l’Effort, waartoe onder andere Philibert Cockx, Willem Paerels, Edgar Tytgat, Jean Brusselmans en Médard Maertens behoorden en later ook Rik Wouters en anderen grote fauvisten zich aansloten. L’Effort had een vrij atelier waar schilders los van de academische regels en in alle vrijheid konden werken. De oudere Auguste Oleffe, die fungeerde als belangrijke mentor, adviseerde Verburgh om meer op eigen intuïtie te werken en minder de regels van de academie te volgen. Maar hij moest zich ook niet te veel laten leiden door de ‘nieuwigheden’ van het impressionisme en het pointillisme. Onder invloed van zijn jonge collega’s ontwikkelde Verburgh een vrijere, subjectieve schilderstijl, met een vrijmoedigheid in kleurgebruik die we tegenwoordig kennen onder term Brabants Fauvisme. De leden van l’Effort en andere Brabantse Fauvisten van de groep Labeur ontmoetten elkaar bovendien regelmatig in de galerie van Georges Giroux te Brussel, die vernieuwende en toonaangevende tentoonstellingen organiseerde met werk van jonge Belgische en Franse modernisten. Hoewel de moderne Galeries in Parijs als paddenstoelen uit de grond schoten, was dit in Brussel nog niet het geval. Hier waren het voornamelijk Georges Giroux en Delgay, die vernieuwend werk durfden te exposeren. De doorbraak van de grote Modernistische schilderkunst in België was dus nog geen voldongen feit.

In deze periode begon Verburgh echter wel al naam te maken als schilder. In 1910 debuteerde hij op de Wereldtentoonstelling van Brussel en in hetzelfde jaar op de Salon d’Automne in Parijs. Bij zijn afstuderen aan de Academie in 1911 ontving hij een studiereis voor een grote reis naar Italië, gevolgd door een tweede studiebeurs afkomstig van het legaat Donnay. Daarbovenop kreeg hij ook nog eens zijn eerste solotentoonstelling bij Salle Delgay in Brussel. Het kon voor de schilder niet op.

Het schilderij La cueillette (De oogst) werd door Médard Verburgh geschilderd in 1916 en  is kenmerkend voor de fauvistische periode van de schilder, die tot ongeveer 1920 aanhield. In deze periode was het culturele leven in Brussel grotendeels stil komen te liggen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Verburgh kwam nog altijd veel over de vloer bij Auguste Oleffe, die in Oudergem een huis met een mooie tuin had, waar de Brabantse Fauvisten elkaar konden ontmoetten en waar ze konden schilderen. Het is niet ondenkbaar dat de La cueillette in deze omgeving is geschilderd. Het werk stelt twee figuren voor die bezig zijn met het plukken van appels. Centraal in de compositie staat een man onder een grote boom op een ladder, terwijl aan zijn voeten een vrouw op een wit kleed bezig is om het fruit in een mand te doen. Het werk is omgebouwd in brede, mozaïk-achtige kleurvlekken (tachisme genoemd) die typerend zijn voor het fauvisme. Deze kleurvlekken geven de objecten en figuren niet alleen hun plastische vorm, maar zorgen tegelijkertijd voor een sensatie van licht en kleur. Juist door vormen en lijnen te versimpelen en te vereenvoudigen krijgen licht en kleur, die de essentie vormen van het fauvisme, meer uitdrukkingskracht. De Brabantse Fauvisten probeerden net als de Franse Fauvisten hun persoonlijke gevoelens uit te drukken in hun schilderijen. De grote Belgische Fauvist Rik Wouters zou dit uitdrukken als: “Er komen met de meest eenvoudige middelen, veel zeggen met weinig en de indruk geven van volledig te zijn”. Anders dan de Franse Fauvisten gebruikte de Belgen over het algemeen minder harde kleurcontrasten en vormden hun composities vaker een harmonisch geheel. Verburgh ging overigens niet over tot zulk een radicaal fauvisme als Wouters of Ferdinand Schirren. Hij liet de perspectivische ruimte nooit volledig los maar verkende wel alle chromatische mogelijkheden: nu eens gebruikte hij subtiele schakeringen, dan weer gewaagde kleurtoetsen met een sterke kleurintensiteit. Ook wisselde hij koude en warme tinten met elkaar af. Juist deze afwisseling hiervan wist hij een sterke eenheid in zijn composities te leggen. Ook durfde hij op sommige plaatsen zijn doek bewust onbeschilderd te laten. Het resulteerde in een zindering van licht en kleur.

Deze manier van schilderijen begon hij vervolgens ook toe te passen op zijn interieurs met figuren en stillevens. Het hier afgebeelde Stilleven met fruit is vermoedelijk vervaardigd in 1919. In deze naoorlogse periode wist Verburgh wat meer schilderijen te verkopen. Hij trouwde met zijn geliefde Berthe Kerstemont –stiekem overigens, want haar ouders waren tegen het huwelijk – kocht een prachtig huis met een tuin in de landelijke omgeving van Ukkel. Verburgh begon aan een reeks doek met als thema het gezinsleven. We zien vele interieursscènes, stillevens en zijn vrouw Berthe rustend, lezend, of bezig met haar huishoudelijke taken. Het zijn harmonieuze onderwerpen die de tederheid het jonge gezin weerspiegelen. Verburgh voltooide in 1919 een aantal weelderige stillevens met dezelfde gaatjesvaas in soortgelijke stilistiek. Kenmerkend voor dit schilderij is de sterke lichtsensatie en het levendige lijnenspel. Door het grote witte tafelkleed op de voorgrond komen de sprekende kleuren van het fruit, subtiel afgebakend met dunne omtreklijnen, goed tot hun recht. De vazen op de voorgrond zien we vervolgens weer terug in het reflecterende spiegelbeeld. Dit schilderij laat zien dat Verburgh zich durft te beperken. Waar de voorgrond relatief ‘leeg’ is gelaten, komen op de achtergrond de werkelijke kleuren van de huiskamer tevoorschijn.

Bouquet de lys blancs (boeket met witte lelies) dateert uit 1926. In deze periode had Verburgh al grotere naamsbekendheid gekregen. Critici waren zeer lovend over de zijn werk en hij verkocht goed. In 1922 kon Verburgh zich met zijn ruimere financiële middelen een huis aan de kust in Oostende veroorloven, waar hij met zijn echtgenote vaak langere tijd verbleef. Onder invloed van de grootsheid en de dynamiek van de zee liet Verburgh zijn fauvisme, ten behoeve van een dieper, krachtigere vorm van expressionisme. Zijn contrastrijke kleuren maakten plaats voor soberdere, dramatische verfstreken, vaak in dikke lagen op het doek aangebracht. Verburgh schilderde niet alleen het kleur-en lichtspel van de zee, maar ook de reuring in de haven en het voorbijkomen van de schepen met hun fiere masten. Hoewel Verburgh in Oostenende veel optrok met de beroemde Vlaamse expressionist Constant Permeke, waren zijn eigen werken minder zwaarmoedig van aard. Verburgh gebruikte zachtere tonen en zijn marines kenmerkten zich door hun dynamische composities met krachtige, silhouetten. Met dezelfde krachtige kracht zette Verburgh ook zijn bloemstillevens op, een genre waar hij nog altijd een voorliefde voor koesterde. Pioenrozen, lelies, zonnebloemen, aronskelken en zinnia’s schilderde hij in subtieler coloriet dan voorheen. Verburgh gebruikte harmonische tonen in donkergrijs, lichtere oker- en aardetinten maar ook sprekend wit en levendig geel en rood. Zijn expressionistische bloemstillevens zijn intieme, maar vlot geschilderde werken die getuigen van een sterke, persoonlijke zeggingskracht. Toen Verburgh in 1929 naar New York verhuisde en er een jaar later zijn eerste grote tentoonstelling hield, waren de critici het meest onder de indruk van deze stillevens. Men vond ze bovendien ‘schatplichtig aan de invloed van Cezanne en de moderne Franse school in het algemeen’.

Schilderijen van Médard Verburgh in de collectie van Kunsthandel Bies:

La cueillette

Stilleven met fruit

Bouquet de lys blancs

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten