Hendrikus (‘Hendrik’) van de Sande Bakhuyzen

1795 – Den Haag – 1860

Hendrikus van de Sande Bakhuyzen wordt beschouwd als een van de beste schilders uit zijn tijd. Volgens de Kunstkronijk uit 1847 moet hij, samen met Andreas Schelfhout en Bart van Hove, gerekend worden tot ‘diegenen die de kunst aan het einde van de vorige [de 18e eeuw] en ’t begin der tegenwoordige eeuw [19e eeuw], ophieven uit hare kreperende toestand en haar een vrije onafhankelijke richting gaven’.

Dat lijkt misschien wat overdreven, maar men moet niet vergeten dat de Nederlandse schilderkunst aan het einde van de 17e eeuw in een diep dal was geraakt en daar ruim een eeuw lang niet uit tevoorschijn is gekomen. De 18e eeuw heeft dan ook weinig schilders van enige betekenis opgeleverd, laat staan nieuwe artistieke ontwikkeling gebracht. Het land werd nog altijd geteisterd door economische malaise en de in 1779 opgerichte Vrije Academie werd door geldgebrek gesloten. Daarom was het verfrissend toen in de 19e eeuw een nieuwe generatie schilders ten tonele verscheen die kwaliteit hoog in het vaandel had staan, talent genoeg had om deze ten uitvoer te brengen en niet bang was om navolging te geven aan haar eigen ideeën over wat mooi en goed is.

Van de Sande Bakhuyzen had grote bewondering voor de landschapschilders uit de 17e eeuw, vooral voor het werk van Albert Cuyp en Paulus Potter. En hoewel hij ook andere onderwerpen heeft geschilderd, zoals een aantal zeer verdienstelijke winterlandschappen, besloot hij zich toe te leggen op het schilderen van vee. Na twee jaar tekenonderricht te hebben gekregen van J. Heijmans moest hij echter op eigen houtje verdergaan, met enkel de oude meesters als voorbeeld en de natuur als leidraad. Hij kreeg nog wel wat schilderles van Simon Andreas Krausz, maar deze adviseerde hem zijn eigen gang te gaan en alleen zijn leermeester te raadplegen als het echt nodig was.

Daarom trok Van de Sande Bakhuyzen er zelf op uit. Hij werkte veel in de omgeving van Den Haag en in de bosrijke gebieden van Gelderland. Tevens reisde hij naar Duitsland en België. In sommige van zijn landschappen wordt het decor dan ook gevormd door een on-Hollandse, bergachtige omgeving. Zijn in de natuur gemaakte schetsen werkte hij later in zijn atelier uit tot olieverfschilderijen. Vanaf de jaren 1820 kreeg het vee steeds vaker een prominentere plaats in zijn composities. Hierbij stonden vooral koeien centraal en diende het landschap en een eventuele herder als stoffage.

Van de Sande Bakhuyzen heeft zijn leven lang een vrij constante, hoge kwaliteit weten te behouden. Dit is dan ook de reden dat hij al vroeg een heel succesvol schilder was. Onder zijn kopers en opdrachtgevers mocht hij het Rijksmuseum in Amsterdam rekenen, dat in 1818 al een schilderij van hem aankocht, maar ook het Teylers Museum in Haarlem en niemand minder dan Koning Willem II. Bovendien was hij de eerste Nederlandse schilder die verschillende opdrachtgevers in de Amerika had.

Zijn zoon Julius van de Sande Bakhuyzen en zijn dochter Gerardine van de Sande Bakhuyzen werden later ook befaamde schilders.

Schilderijen van Hendrikus (‘Hendrik’) van de Sande Bakhuyzen in de collectie van Kunsthandel Bies:

Landschap met vee bij een waterpoel

Gezicht op een stad in de winter met rechts een bevroren vaart